Nulmeting Wikiwijs 2009
Met een nulmeting voorafgaand aan de lancering van Wikiwijs op 14 december 2009 is vastgesteld hoe in het primair onderwijs (po), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), voortgezet onderwijs (vo) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo) de stand van zaken is in het gebruik, ontwikkelen en delen van digitale leermaterialen. Omdat het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo) pas in september 2010 bij Wikiwijs worden betrokken, zijn daarvan in de nulmeting geen docenten bevraagd. Het is de bedoeling dat tenminste eenmaal per jaar een vervolgmeting plaatsvindt die aanwijzingen kan geven in verschuivingen in gebruik, ontwikkelen en delen van open, digitaal leermateriaal en eventuele veranderingen in wensen en behoeften aan ondersteuning.
De nulmeting is uitgevoerd onder 1382 docenten po, vmbo, vo (havo en vwo) en mbo (po: n = 742, vmbo: n = 292, vo: n = 209, mbo: n = 139). (n.b. de hierna genoemde percentages zijn gemiddelden)
Bevindingen
Gebruik digitaal leermateriaal
Het gebruik van digitaal leermateriaal is het hoogst in het mbo (32%) en het laagst in havo en vwo (vo) (18%) Het po en vmbo nemen met 21% een tussenpositie in. De docenten van alle schooltypen verwachten wel een toename van het gebruik van digitaal leermateriaal in de toekomst (gemiddeld met 20 procentpunt). Docenten in het po bieden het vaakst digitaal leermateriaal aan (20%), gevolgd door docenten mbo en vmbo (13%) en het minst door docenten vo (8%).
Ontwikkeling
Zo'n 40% van de docenten van alle schooltypen geeft aan nog nooit zelf digitaal leermateriaal te hebben gemaakt of bewerkt. Het percentage docenten dat enkele keren per dag tot enkele keren per week digitaal leermateriaal maakt of bewerkt, bedraagt 7% voor het po, vmbo en mbo en 2% voor het vo. Zo'n 45% van de docenten in alle schooltypen willen hun eigen leermaterialen delen met anderen.
Invloed leeftijd
Leeftijd, en daarmee sterk samenhangend het aantal jaren werkzaam in het onderwijs, speelt een rol bij verschillende aspecten rondom digitaal leermateriaal. Naarmate men ouder is, ervaart men iets meer angst bij het gebruik van digitaal leermateriaal, ziet men meer nadelen van het gebruik hiervan, vindt men het minder belangrijk om digitaal leermateriaal te ontwikkelen en neemt de verwachting af om effectief met het materiaal om te gaan. In het algemeen is de houding tegenover digitaal leermateriaal negatiever naarmate men ouder is en neemt de intentie om digitaal leermateriaal te gebruiken, te bewerken of te delen af.
Vrouwen en mannen
Vrouwelijke docenten hebben een positievere houding tegenover digitaal leermateriaal en zien meer gebruik daarvan in hun directe omgeving dan mannelijke docenten. Ook is de intentie om digitaal leermateriaal te gebruiken bij vrouwen hoger, daarentegen hebben mannen een hogere intentie om digitaal leermateriaal zelf te bewerken en te ontwikkelen.
Omvang aanstelling
Naarmate men meer uren per week is aangesteld, ervaart men minder angst voor digitaal leermateriaal en neemt de verwachting toe dat men effectief met digitaal leermateriaal kan omgaan. Ook de algemene houding tegenover digitaal leermateriaal en de intentie om deze te gebruiken, te bewerken of te delen neemt toe met de aanstellingsomvang.
Schooltypes
De houding tegenover digitaal leermateriaal is in het po positiever dan in de andere drie schooltypes. In het vo (havo en vwo) is de houding het meest negatief. In het po wordt ook het meeste digitaal leermateriaalgebruik in de directe omgeving ervaren en is de verwachting dit materiaal effectief in te zetten het hoogst. Ook de intentie om digitaal leermateriaal te gaan gebruiken is in het po het hoogst.
Aanbevelingen
Bronnen
Internet is de meest geraadpleegde bron voor het verkrijgen van digitaal leermateriaal. Wikiwijs kan hierop inspelen door collecties te ontsluiten en het materiaal gemakkelijker vindbaar te maken (uitbreiding repositories en referatories van open, digitaal leermateriaal met adequate metadatering). Dit moet gepaard gaan met een grotere naamsbekendheid van Wikiwijs bij de gebruikers.
Professionalisering
De professionalisering van docenten, een van de subdoelen van Wikiwijs, moet zich niet alleen richten op omgaan met digitaal leermateriaal, maar ook op bijscholing van ict-vaardigheden. Daarmee wordt ook de verwachting van de docenten gevoed om effectief met digitaal leermateriaal te kunnen werken. Om docenten effectief te kunnen bereiken, dienen de professionaliseringsactiviteiten nauw aan te sluiten bij de dagelijkse praktijk met ‘training on the job'.
Werkdruk
Een groot deel van de docenten verwacht dat het werken met digitaal leermateriaal de werkdruk zal doen toenemen. Enerzijds heeft dit te maken met de onwennigheid van docenten met ict, anderzijds met de nieuwe rol als lesontwikkelaar. Wikiwijs moet laten zien dat deze omschakeling weliswaar meer tijd vergt, maar dat deze tijdsinvestering op den duur wordt terugverdiend en dat het werken met digitaal leermateriaal het lesgeven afwisselender kan maken en een nieuwe impuls kan geven aan leven lang leren.
Sociale druk
Wil de overheid het omgaan met digitaal leermateriaal stimuleren, dan ontkomt zij er niet aan de sociale druk die docenten ervaren om digitaal leermateriaal in de lessen in te zetten, te verhogen. Hier ligt een taak van schoolleiding en overheid om een heldere visie betreffende het educatief gebruik van digitaal leermateriaal te ontwikkelen en te communiceren naar de docenten.
Het volledige onderzoeksrapport is via onderstaande link te downloaden.
Nulmeting 2009 Wikiwijs [application/pdf 790 Kb ]